Home

O Angenietje, mijn honingbietje

O Angenietje
Mijn honingbietje
Mijn vrolijkheid, mijn vreugd
Fontein van mijn geneugd
Mijn zoetste zusje
Mjn hoogste lusje
Mijn alderwaardste goed
O vrouw van mijn gemoed
Hoe lang zult gij uw veinzen nog voor mij
Daar ik niet meer zoek of begeer
Als uw vermaak en eer

Gij schijnt te schuwen
't Geneugelijk huwen
't Welk zulken zoeten zaak
Is en zo schoon vermaak
Dat alle de geesten
Van mensen en beesten
Ja wat de zon beschijnt
Zich daar met vlijt toe pijnt
Vliedt gij hetgeen tot lust strekt iedereen
Daar al wat leeft zich toe begeeft
En zijn vermaak in heeft

Wat zal dat gelijken
Want eer je kon kijken
Of lopen, trouwde jou moer
Daar zij niet kwalijk bij voer
En ben je nu wijzer
Als zij, die heel grijzer
En ouder is als gij
Wat, dat komt gans niet bij
O schoon, slijt niet uw jaren in verdriet
Maar uwe jeugd, eerbaar verheugd
Wijl gij 't verheugen meugt

Denkt dat de jaren
dees geestige haren
die gij nu kruld zo gauw
Haast zullen maken grauw
En dat dese leden
Zo geestig besneden
Dit bol, zwak, jeugdig lijf
Zal worden krom en stijf
En gij zult dan alheel niet weten van
De zoetigheid, daar elk van zeid
Daar men u nu toe vleit

Och wilt u bezinnen
En wederom minnen
Die u zo trouwelijk mient
Zo vurig bid en dient
Zo zul je met kusjes
In vrolijke lusjes
Uwdagen brengen deur
Niet wetend van getreur
En word je weer in 't end oud, ziek of teer
Met alle vlijt in uwe strijd
Worden gediend altijd

Tekst uit Starters Friesche lusthof, 1621
Melodie uit Valerius' Gedenck-Clanck, 1626